Kerstboom met Pieck

 

Tekst en afbeeldingen zijn van Albert ten Hooven

 

De weg leek eindeloos. Voor en achter mij scheen hij op te lossen in winternevel. Links en rechts besneeuwd land. De wereld bestond uit 50 meter landweg. De wind striemde sneeuw en om mijn ogen te beschermen keek ik omlaag. Beurtelings kwam mijn linker- en rechterschoen van onder de wapperende jas vandaan. Verdoofd door kou bewees deze gevoelloze beweging dat ik nog altijd voortbewoog. Al urenlang. Tegen het eind van de middag klaarde de lucht. De wind vertrok en bij elke stap kraakte de sneeuw stil. De weg glooide. Waar de kanten elkaar raakten was het silhouet van een kleine stad. Het doel van mijn tocht. Een kwartier later gunde de stadspoort mij een blik in een bewoonde wereld.

De tijd leek hier te hebben stilgestaan hoewel ’n kerkklok 5 uur sloeg. Gevels als door Anton Pieck ontworpen stonden naast elkaar. Onwillekeurig zocht ik naar zijn signatuur in de rechter benedenhoek van mijn blikveld. Tevergeefs, dit bleek echt te bestaan!

Het gure decemberweer maakte de stad verlaten. Slechts zelden verliet een huisvrouw een warm verlichte winkel om gehaast de boodschappen thuis te brengen. De luwe straten waren een verademing. Verspreid om mij heen toonden uitnodigende etalages hun artikelen. Klokken van chocolade, kransen van banket, kalkoenen, mandarijnen en hulsttakken.

In de hoeken van de kruisramen werd het zachte licht door de hol gevallen sneeuw tot een gouden gloed gefilterd. Iemand neuriede een kerstlied. Op het kerkplein stond een dennenboom. Het was 23 december.

Achter de kerk ging ik een zijstraat in. Aan het eind daarvan liep een statige man met een stapel boeken onder de arm. Zijn zwarte pelerine wapperde toen hij om de hoek verdween. Op diezelfde hoek wees een gevelbord het voorlopige eindpunt van mijn winterse reis: “De Boekenwurm”.

Ik bleef even stilstaan en genoot. Het leek alweer een Anton Pieck kerstkaart!

De behaaglijke gloed binnen lokte mij uit de reeds schemerige straat. De deur klemde licht, een klingelende deurbel klonk. Genoeglijke warmte stroomde uit een ouderwetse potkachel. Ruisend gaslicht gaf een sonore en serene rust. Zacht geurende boeken glansden in hun lederen band. De kou verdween uit mijn botten. Achter een tafel zat een jongere ietwat tengere vrouw te schrijven. “Goeiemiddag”, groette ik. “Dag mijnheer” was het antwoord en ze keek op van haar werk.

“Kan ik u van dienst zijn?” “Ja” antwoordde ik. “Van vrienden hoorde ik dat U zeldzame handboeken voor kunstenaars te leen heeft. Ik ben tekenaar ziet u, vandaar”. Zij schoof haar werk opzij. Handgeschreven kaarten met zwierige letters, kleine kunstwerkjes, verraadden haar liefde en toewijding voor het werk. Haar handen trilden licht. “Het is toch waar dat u ook uitleent?” vroeg ik. “Jazeker mijnheer, die boeken zijn uniek en kunnen alleen nog geleend worden. Maar hoelang nog?” voegde zij er fluisterend aan toe. Was het mijn verbeelding of werden haar ogen vochtig? “Voelt U zich niet goed? Blijft u even zitten”, stamelde ik. Een traan rolde langs haar wang. “Het gaat wel mijnheer. Dank u”. Op enkele door haar geschreven kaarten hadden eerdere tranen kleine kraters in de inkt geslagen. “Alleen u kunt de boeken niet langer dan 1 week lenen. Op Oudejaarsdag moet ik sluiten. Deze winkel houdt op te bestaan. Mijn baas begint samen met een partner in de grote stad een nieuwe, veel modernere winkel. Met ander personeel. Je kunt er via een computer vele catalogi raadplegen. Zowel van gedrukte boeken als van elektronische. De e reader is de toekomst volgens hem. Wij, het personeel, werd niet eens de kans geboden om bij te scholen en mee te gaan. Het oude systeem is achterhaald en deugt niet meer volgens hem. Ik had een oudere collega die veel titels van boeken en zowat alle gegevens van onze klanten uit zijn hoofd kende! Voor iedereen had hij altijd een persoonlijk praatje en advies. Een warmhartig vakman met vele jaren ervaring! Geen enkele machine kan dat vervangen, toch? Op zekere dag kon hij het gekonkel van de directeur, die hem te oud en te duur vond, niet meer verdragen. Hij werd er ziek van. “Ik ben ziek en ga naar huis” waren zijn laatste woorden tegen mij. Een paar dagen later overleed hij aan een hartstilstand. Nu zit ik hier nog maar alleen en straks…. zonder werk en geld”. Even was het stil. Ik wist niet goed raad met de situatie. Buiten was het inmiddels volledig donker. Een man ontstak de gaslantaarns. “Toen ik daarstraks op straat liep zag ik een man met een stapel boeken onder zijn arm. Zo te zien een goede klant van u”, zei ik. “Oh, dat was mijnheer Noël. Enige tijd geleden is hij hier komen wonen. Niemand weet waar hij vandaan komt. Hij was hier in de winkel toen mijn baas zei dat ik ontslagen zou worden. Sindsdien komt hij iedere dag een stapel boeken kopen. De zachte blik in zijn ogen is nog mijn enig lichtpuntje. Rijzig en beschermend staat hij voor de tafel als hij betaalt. Als hij weggaat zegt hij niets en kijkt me alleen maar aan. De warmte van zijn ogen geeft me rust. ’s Avonds, als ik alleen thuis zit, denk ik vaak aan hem. Hij is een mysterieuze verschijning waar niemand iets van weet”.

 

In het licht van de straatlantaarns vlokte de sneeuw opnieuw traag omlaag. “Ik kom morgenochtend wel terug voor mijn boeken. Kan ik u met dit slechte weer misschien naar huis begeleiden?”, vroeg ik. “Erg vriendelijk van u, maar ik blijf nog even werken, zolang het nog kan. Bovendien, het is hier warmer dan thuis. Ik wens u een prettige avond”. Zachtjes trok ik de deur achter mij dicht. Aan de overkant, in het schijnsel van een lantaarn, stond een rijzige gestalte naar mij te kijken. Een zwarte pelerine wapperde zacht in de wind.

In de plaatselijke herberg knapperde het vuur in de open haard. De vlammen en het glas warme punch deden mij doezelen. Toch kon ik het gebeurde niet uit mijn gedachten zetten. Wie was toch die man met de pelerine?

Die nacht spookten twee figuren door mijn hoofd. De mysterieuze man en de jonge vrouw uit de winkel.

De volgende ochtend ging het stadje schuil onder een dikke laag zachte wollige sneeuw. Winkeliers stalden hun koopwaar uit. In de kerk zwoegde de koster met de kerstversiering. De organist oefende wat moeilijke akkoorden. Op het kerkplein zette een koopman zijn laatste kerstbomen bij de voorraad. Voorbijgangers groetten elkaar met een vriendelijkheid die zo typerend is voor deze periode van het jaar. Bij de bakker geurde de straat naar versgebakken kerstkrans met amandelspijs. Een gezellige drukte deed haar laatste kerstinkopen. Het was vredig. Het was 24 december.

De gevel van “De Boekenwurm” straalde rust uit en verhulde volledig alle emoties die binnen heersten. Het geklingel van de deurbel deed de jonge vrouw opkijken. “Dag mijnheer, u komt de kunstboeken ophalen”. Zij legde een briefje dat haar aandacht opeiste opzij. “Ach ja, maar dat heeft geen haast. Hoe gaat het met u?” antwoordde ik. Het oorspronkelijke doel van mijn reis scheen onbelangrijk na mijn eerste ontmoeting met haar. “Ik weet eigenlijk niet wat ik hierop moet zeggen. Toen ik vanmorgen hier kwam stond mijnheer Noël al op me te wachten. Hij heeft zowat de halve voorraad boeken opgekocht. Vanmiddag wordt het met een koets opgehaald. Bij het afrekenen gaf hij me dit briefje”. Vereerd door haar vertrouwen en openhartigheid las ik:

“Geachte juffrouw Jannetje. Het eind is in zicht, zo ook het begin. Met de nachtmis verwacht ik U in de kerk te zien. Tevens nodig ik U uit om morgen, eerste Kerstdag, bij mij de geboorte van de verlossing te komen vieren. Tijdens het diner zal ik U een en ander uitleggen. ’s Middags om 3 uur zal mijn koetsier U ophalen”.

Ik gaf haar het briefje terug. “Tsja, in uw plaats zou ik ook niet goed raad weten met de situatie. Toch lijkt het me niet verkeerd op de uitnodiging in te gaan. Bovendien hebt u niet veel keus, de koets komt u halen. Ik zou maar gaan”.

“Eigenlijk had ik dat zelf ook al besloten”, gaf zij toe. “Om de één of andere reden straalt die man zoveel vertrouwen uit dat een weigering niet eens bij me is opgekomen! Alleen één ding houdt me bezig, hoe weet hij mijn naam?” Op straat zong een groep kinderen “Nu zijt wellekome”. “Zullen we nu uw boeken gaan pakken?” onderbrak zij het gezang. “U hebt genoeg te doen met de zending voor mijnheer Noël. Ik kan nog wel even wachten”, zei ik. “Ik ga straks ook naar de nachtmis dus we zullen elkaar nog wel zien vandaag. Tot ziens!” en ik verliet de winkel.

Verbeeldde ik het mij of zag ik een zwarte pelerine om de hoek van de straat verdwijnen? Ik rende er naartoe en zocht gespannen de straat af. Niets! Totaal verlaten!

Verder wandelend kwam ik weer op het kerkplein met de sfeervolle huizen. Een gezellige drukte was op gang gekomen. Kinderen stonden met hun neus tegen de etalages vol snoep en speelgoed gedrukt. Moeders met volle boodschappenmanden praatten gezellig met elkaar. Een vader sjouwde samen met zijn zoontje een grote kerstboom. Het kind ging geheel gebukt onder de “zware” last van de boomtop. Aan de overkant stond een ouderwetse gebakkraam. Een oma met warme omslagdoek liep er met haar kleinkinderen heen. Een oude man trok een kind op een slee voort. Van achter de kraam verscheen een wit galopperend paard met koets. Binnen in de koets wapperde iets zwarts! Helaas zag ik verder niets meer want een chic geklede dame verscheen tussen mij en de koets. Waar had ik dat tafereel eerder gezien?

 

Kerkklokken beierden door de tintelende nacht. Talloze sterren straalden in een zeldzaam heldere hemel. Het glas-in-loodraam van de kerk straalde warm licht naar buiten. Voeten verlosten zich stampend van aangekoekte sneeuw alvorens de kerk binnen te gaan. De nachtmis werd druk bezocht. Koetsen reden af en aan en plotseling …. zag ik hem! Een rijzige gestalte met zwarte pelerine. Hij draaide zich om en glimlachte naar mij. Ik stond als vastgenageld. Deze man had echt iets bijzonders. Een gloed van warmte overspoelde mij.

Hij knikte mij toe en stak rustig de straat over.

Even later vonden mijn ogen juffrouw Jannetje op de voorste bank in de kerk. Zij wuifde naar mij.

De mis was ouderwets en hartverwarmend. Na afloop verlieten de mensen schuifelend de kerk en wensten elkaar een Gelukkig Kerstfeest.

Buiten op het kerkplein wachtte ik haar op. Het was koud. Ik stak mijn handen in de jaszakken. Een zak was niet meer leeg! Iemand had er een kaartje ingestopt! Nieuwsgierig las ik:

“Beste Albert, morgenmiddag om kwart over drie word je door een koets opgehaald. Je bent als mijn gast uitgenodigd voor het kerstdiner.

Hoogachtend, De zwarte pelerine.”

Stomverbaasd las en herlas ik nogmaals het bericht.

“Gelukkig kerstfeest!” klonk haar stem. “Ja natuurlijk, dat wens ik u ook”, stamelde ik. “Wat zegt u hiervan?” en ik liet haar het kaartje lezen. “Wel”, glimlachte zij, “het ziet er naar uit dat we elkaar morgen weer zullen ontmoeten”. “Ja inderdaad, alleen hoe weet hij mijn naam?”

Die vraag beroofde nog enige tijd mijn nachtrust.

 

Het was 25 december.

Omstreeks half vier stopte de koets voor een groot herenhuis. Een bediende bracht me naar binnen. De zalige geur van gebraden vlees vulde de hal. Ergens klonk uit een speeldoos het “Stille Nacht, Heilige Nacht”. Op de eerste verdieping stonden twee statige deuren uitnodigend open. Een behaaglijke warmte stroomde mij tegemoet. “Welkom”, klonk een diepe stem. De statige man kwam met uitgestoken hand op mij toegelopen. Hoewel het binnen behaaglijk warm was droeg hij vreemd genoeg toch zijn jas met pelerine. Een enorme kerstboom met veel ballen, slingers en kaarsen trok meteen de aandacht. Bovenop flonkerde een gouden piek. Onder de boom lag een grote hoeveelheid met glanzend papier ingepakte pakketten. In het midden van deze schitterende salon stond een prachtig gedekte tafel. Alles ademde de warmte van weleer. Het leek, nee het was ..als een sprookje. Naast het knetterend haardvuur zat Jannetje in de warm roze vlammengloed.

Het diner smaakte in één woord voortreffelijk. Na het opdienen van het dessert nam onze gastheer het woord: “En dan is nu het moment gekomen voor de cadeaus. Zoals jullie zien liggen er nogal wat pakjes onder de boom en toch zijn er maar twee gasten. Welnu, ik zal het kort houden. In de rode pakken, mijn beste juffrouw Jannetje, zitten alle boeken die ik tot nu bij U in de winkel heb gekocht. Zij zullen weer worden teruggebracht naar Uw winkel. Ja, ik zeg Uw winkel. Gisteravond heb ik zowel de rest van de voorraad als het winkelpand van uw baas opgekocht. Er bleef hem geen andere keus. Zijn nieuwe compagnon bleek een oplichter en was er met al zijn geïnvesteerde spaargeld vandoor. Overigens, het eigendomsbewijs van het winkelpand zit achter de dubbele flap in Uw menukaart. De goudkleurige pakken, mijn beste Albert, zijn voor jou bestemd. Zij bevatten een collectie kunstboeken die uniek genoemd mag worden. Zeldzame handboeken voor kunstenaars met gedetailleerde illustraties en aanwijzingen van grote kunstenaars.”

We waren met stomheid geslagen! De nieuwe eigenaresse van “De Boekenwurm” snikte gelukkig. Ik slikte en stamelde: “Maar waarom? Dit kan toch niet waar zijn! Wie bent U? En waarom?” Zijn stem klonk vriendelijk maar erg vastberaden.

“Mijn beste man, ik ben niet gewend aan zoveel vragen. Kom hier bij het raam dan zal ik jullie op iets wijzen”.

Aan de donkere avondhemel overheerste in het oosten één schitterende ster.

“Van achter die ster kom ik vandaan”, wees hij. “Sommigen noemen die plek de hemel. Ik noem het mijn woonplaats. Het is daar de gewoonte om ieder jaar met Kerstmis iets op aarde wat onrechtvaardig is weer ongedaan te maken, Dit jaar is de keus op de situatie van “De Boekenwurm” gevallen. Mijn taak hier is nu klaar. Ik moet echt gaan”.

Hij opende de balkondeuren. Een koude avondwind deed zijn jas met pelerine opwaaien. Met verbijstering zag ik op zijn rug twee sneeuwwitte vleugels! De jas viel op de grond. Vanuit de avondlucht riep hij naar ons: “Ik ben een Kerstengel! Gelukkig Kerstfeest allebei!”

 

 

Het gefladder van zijn vleugels deed mij ontwaken. Verbaasd keek ik in het rond, in mijn eigen kamer! Plotseling besefte ik dat het een droom was geweest. Het gefladder kwam van een envelop die door lichte tocht op de grond was gewaaid. Voor mij op tafel lag een stapel Anton Pieck kerstkaarten, klaar voor verzending. Bij het schrijven van de laatste kaart moet ik, wegdromend bij de romantische sfeer van een onnavolgbaar kunstenaar, in slaap zijn gevallen.

De klok sloeg elf uur. Ik vouwde de laatste kaart nog éénmaal open en las:

Prettige Kerstdagen en een Gelukkig Nieuwjaar”

Albert.

 

P.S.

Dit verhaal is jaren geleden in een personeelsblad gepubliceerd. Een exemplaar daarvan heb ik destijds naar de heer Anton Pieck, die ik erg bewonder, gestuurd. Zijn bijzonder gewaardeerd antwoord vindt u hieronder.